SCHRIJVER

Door te schrijven leg ik momenten vast. Momenten die me doen stilstaan of me helpen aandachtig te kijken. Dat kunnen persoonlijke ontmoetingen zijn, maar ook gebeurtenissen die ik meemaak als toeschouwer: een voorstelling, film of concert. Het lezen van een roman, een artikel of een studieboek kunnen ook stimulerend zijn om te gaan schrijven.

"Kees schrijft zoals hij kijkt: zoekend reflecterend, voorbij de feitelijkheid van de dingen om ons heen."
Ferry Wilting
Begeleidingskundige en ontwerper

Klik op een titel en je kunt de tekst lezen. 

Ik las een prachtig boek van Tommy Wieringa, Honorair kozak. Op de achterflap staat: ‘Dit zijn de avonturen van een hotelburger en een onvermoeibare reiziger.’ Het zijn allemaal korte, prachtig geschreven verhalen, vaak gesitueerd in een of ander ver buitenland. De Volkskrant schrijft, terecht: ‘Nederland is te klein voor Wieringa.’

Een van de verhalen is getiteld ‘Haiku’. Wieringa vertelt daarin zijn moeizame proces om tot een mooie en volgens de regels geschreven haiku te komen: ‘Zeven dagen dacht ik na over een haiku. Zeven hoofden brak ik over een ontbrekende lettergreep. De lettergreep was het steentje in mijn schoen, het sliertje tussen je kiezen waar je niet bij kunt.’ In het laatste gedeelte van zijn korte verhaal beschrijft hij mooi hoe zijn gedreven streven om de haiku te laten lukken uiteindelijk tot succes leidt – de haiku klopt. Maar tevens maakt hij duidelijk dat het bereiken van succes iets anders kan zijn dan geníeten van succes.

‘Intussen ontbrak er nog altijd een lettergreep in de tweede regel van de haiku. De zin was goed zoals-ie was, hij liep fijn en ademde, maar bevatte slechts zes lettergrepen in plaats van de voorgeschreven zeven. Soms dacht ik de oplossing gevonden te hebben en ging tevreden naar bed. De volgende morgen ontdekte ik het bedrog en alles begon weer van voren af aan, het opschudden van drie luttele regels, de herschikking, het heroverwegen van eerder verworpen oplossingen. De laatste mogelijkheid, me onttrekken aan het voorschrift, voelde als een laffe daad, het resultaat zou ik voor altijd associëren met mislukking. Zes dagen knarsten de zinnen door de raderen in mijn hoofd, op de zevende dag viel me de oplossing te binnen. Het plezier was er toen allang vanaf.’

Uit: Faber, Kees (2017). Sta stil en kijk. Groningen.

‘Drie jaar later stapte Bas Jan Ader in zijn eigen bootje. We mogen aannemen dat hij, in elk geval op praktisch niveau, alles in overweging heeft genomen. Hij is een ervaren zeiler, hij kent de noordelijke Atlantische Oceaan voor zover deze zich laat kennen, hij weet hoe de wind waait, waar de sterren staan, hoeveel hij dagelijks kan eten om niet zonder voedsel te komen zitten. In de binnenzak van zijn reddingsvest steekt hij Hegels Fenomenologie van de geest. Hij is zo voorbereid als je kunt zijn op een reis als deze. Drie maanden later is hij verdronken. Is zijn tocht de ultieme mislukking gebleken, zoals eerder werd gesuggereerd? Het is maar hoe je het bekijkt. In letterlijke zin is het hem niet gelukt om de overkant te bereiken, aan de andere kant: het was nooit zijn doel om die overkant te bereiken. Het doel zelf lag in de poging, en dat is een cruciaal verschil’, aldus Nina Weijers in De consequentie (2015, p. 154-155).

Ik was na het lezen van deze regels gefascineerd. Wat speelde hier? Bas Jan Ader stapte 9 juli 1975 in Chatham (Massachusetts) bewust in een (te) kleine zeilboot, de Guppy 3, om de Atlantische Oceaan over te steken of daar althans een poging toe te doen. Deze tocht is het tweede deel van een driedelig kunstproject “In search of the miraculous”. Extreem, maar deze zeiltocht past in zijn oeuvre als conceptueel kunstenaar, waarin hij vaker risico’s met zichzelf neemt. Zie bijvoorbeeld het filmpje Tegenover nummer 20, waarin de zwaartekracht getart wordt. In een prachtige kleine documentaire probeert René Daalder een tipje van deze sluier van geheimzinnigheid rondom Bas Jan Ader op te lichten. Is het hem gelukt of is het hem niet gelukt, blijft de achterliggende vraag.

Ja wat? Hij heeft vroeg het leven gelaten, maar met het motto: ‘Here is always somewhere else’, is zijn leven mogelijk wel gelukt. Heeft hij dat ook zo in zijn laatste uren, minuten en seconden op de oceaan ervaren? Vragen. Zijn verdwijning kan in ieder geval gezien worden als een ultiem kunstwerk dat tot op de dag van vandaag zijn uitwerking heeft.

Uit: Faber, Kees (2017). Sta stil en kijk. Groningen.
Otto Lilienthal (1848-1896) was een Duitse uitvinder die om het leven kwam door een mislukte zweefvlucht; hij raakte zwaargewond en stierf de volgende dag. Op zijn sterfbed sprak hij de memorabele woorden: ‘Opfer mussen gebracht werden.’ Blijkbaar was zijn leven minder waard dan iets anders, iets groters.

Als je je verdiept in het leven van deze pionier, dan staat zijn gedrevenheid of zelfs bezetenheid om te vliegen als een vogel voorop. Lilienthal bestudeerde, samen met zijn broer Gustav, al van jongs af aan de vlucht van de vogels. Bij zijn eerste experimenten, hij was toen veertien jaar oud, had hij vleugels aan zijn schouders vastgemaakt. Dat werkte niet.

Toen hij wat ouder was (in 1867) begon hij met allerlei vliegmodellen te experimenteren. In het begin ging het om zweeftoestellen en apparaten met klepperende vleugels. Lilienthal kwam tot de conclusie dat het principe van klepperende vleugels veel te ingewikkeld was om na te doen. Een vogel doet namelijk heel wat meer dan zijn vleugels simpel op en neer bewegen; ook de stand van de vleugels is belangrijk. Naar aanleiding van diverse schetsen en studies over de vogelvlucht, schreef hij het boek Der Vogelflug als Grundlage der Fliegerkunst (1889).

In 1891 maakte hij voor het eerst een zweefvlucht van meer dan 25 meter. Twee jaar later maakte hij al glijvluchten van 250 meter en in 1896 slaagde een eerste vlucht met een dubbeldekker. In Lichterfelde (Berlijn) liet hij een 15 meter hoge heuvel aanleggen en bouwde hij een hangar. Tegenwoordig is op deze plek het Otto Lilienthal-park gesitueerd, met een herdenkingsmonument op de top van de heuvel.

Lilienthal publiceerde tijdens zijn experimenten veel in tijdschriften en gaf geregeld lezingen. De gebroeders Wright – doorgaans gezien als de grote vliegpioniers – maakten dankbaar gebruik van zijn kennis en beproefden ook vluchten in zweefvliegtuigen van Lilienthal. Op een gegeven moment bouwden ze een motor in een groot zweefvliegtuig (de Flyer) en schreven geschiedenis door op 17 december 1903 de eerste geslaagde motorvlucht uit te voeren.

Veel mensen verklaarden Lilienthal indertijd voor gek en zij werden bevestigd in hun mening door het noodlottige ongeval op die zonnige dag in augustus 1896. Ja, zijn vierde glijvlucht op die dag mislukte, maar zijn droom werd werkelijkheid. De wens om als mens te kunnen vliegen was niet nieuw. Icarus ging hem voor; die liet ook het leven en maakte zich tegelijkertijd onsterfelijk. ‘De schoonheid van vogels is onomstreden. Ik denk dat de mens niet kan velen dat ze geen vleugels heeft, waarmee ze zich boven ons verheffen en kunnen wegvluchten. Schoonheid die ons kan ontglippen, willen we vangen. Opdat we steeds meer vogel worden’ (Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant van 12 april 2016).

Uit: Faber, Kees (2017). Sta stil en kijk. Groningen.
Een zingende vink vertelt kort, luidruchtig en niet erg melodieus wat hij wil zeggen en sluit die mededeling af met een duidelijke punt: de vinkenslag. Hij maakt een statement en blijft op afstand. Het roodborstje is niet bang om dichterbij te komen, begint aarzelend met zijn zang, komt op stoom, klinkt welluidend, maar voordat je het weet sterft het geluid weer weg.

Deze ornithologische kennis is me al een aantal keren van pas gekomen bij het begeleiden van mensen. In elk mens huist een vink en een roodborstje. Ieder mens kan duidelijk zeggen wat zijn mening is of waar het op staat, en ieder mens kan een bescheiden, voorzichtige bijdrage leveren aan een gesprek. Het gaat erom dat je die twee vogels op het juiste moment aan het woord laat.

Een lezing houden als een roodborstje is vragen om moeilijkheden. Als een vink reageren op iemand die naar woorden zoekt, is niet gepast. Elke vogel zingt zoals hij gebekt is – de vink en het roodborstje kunnen niet anders. Een mens kan kiezen.

Uit: Faber, Kees (2017). Sta stil en kijk. Groningen.
“Ik zie geregeld dat professionals – ook begeleiders – mensen schijnoplossingen aanreiken, ‘helpen’ volgens het boekje. Als je mensen of organisaties werkelijk wilt helpen, dan stuit je altijd op moerassige problemen en daarvoor heb je per definitie niets op de plank liggen. Het is dan nodig dat je gaat experimenteren, risico’s neemt en zelf de diepte in durft te gaan. Dat kan niet iedereen zomaar; dat moet je leren. Het is een vak waar een bepaalde ambachtelijkheid voor nodig is. Het houdt ook in dat je als begeleider samen met de cliënt antwoord geeft op de vraag: hoe werkzaam zijn we bezig, hoe helpend is ons contact?

Professionals verschuilen zich nogal eens achter hun instrumentarium, hun witte jas. De begeleidingskunde is ook een professie aan het worden, met de nodige methodieken. Er is nog geen sprake van een witte jas, maar ik zie al wel een wit boordje. Een spannende ontwikkeling!

Begeleiders kunnen in deze tijd van marktdruk en carrièredenken gehecht raken aan de hoge grond van het Dikke Ik. Ik geloof niet dat er in begeleiders een zuiverere professionele kern zit die niet gecorrumpeerd kan worden door de markt. Alsof de kern van de goede professional moreel verheven zou zijn, ongevoelig voor markt en beheerssystemen. Dat lijkt me te simpel. Het Dikke Ik is deel van ons en er is, in mijn ervaring, permanent werk aan de winkel. Je moet voor goed werk hoe dan ook de diepte in, maar verwacht niet dat je dan bij een onbezoedelde waarheid kunt komen. Die is er niet, leven in waarheid moet je steeds weer samen oproepen en het licht daarvan verduistert ook steeds weer. Maar dat leerproces doormaken geeft wel het vertrouwen dat je datgene wat is weggezakt samen opnieuw kunt oproepen en dat je elkaar daarin kunt vergezellen en ‘thirdness’ kunt ervaren, om zo gaandeweg diepe banden op te bouwen.

Waar ik zelf ben weggezakt en met anderen een terpje heb kunnen bouwen, daar kan ik ook wegwijzers benoemen die ik met een zekere hoop en vertrouwen kan overdragen aan anderen. Ik kan hun voorhouden: dit heeft me echt geholpen, hier is het moeras gedeeltelijk omgevormd tot humus voor goed werk en zinvol leven. Die lerende toewending is verbonden met hoop, maar biedt geen garantie voor succes. Er zijn mensen die in het moeras verdwijnen. Die zijn zo gekrenkt en beschadigd, dat ze er niet meer uitkomen en in depressiviteit wegzinken, in permanente manipulaties verstrikt raken of een bomgordel omgespen.”

Woorden van Harry Kunneman. Uit: Ronde, M.A. de & Faber, K. (2016). Het gaat om het delen van verdriet – ook het verdriet van de begeleider. Tijdschrift voor Begeleidingskunde, 5 (3), 18-23.
Ik stond afgelopen woensdag – doornat – in vol tenue met mijn racefiets te wachten voor een stoplicht. Ineens verschijnt er een man, iets ouder dan ik, naast me op het trottoir. Hij kijkt me indringend aan, begint op de linkerkant van zijn borst te slaan, maakt met twee armen sussende bewegingen en spreekt de woorden: ‘Doe bist ook geen 25 meer, mien jong!’ Een ongevraagd, maar volstrekt helder leefstijladvies. Verschillende opvattingen over gezondheid?

Kortgeleden las ik een artikel in de Volkskrant over de Franse schrijver en dichter Michel Houellebecq met als titel: ‘Tandeloos maar nog goed gebekt’. Houellebecq is een omstreden maar ook zeer geprezen schrijver, die erin geslaagd is zijn gezondheid in zeer korte tijd met behulp van drank en sigaretten (en wat al niet) te ondermijnen en daar ook nog trots op lijkt te zijn. Het verval is verschrikkelijk zichtbaar: hij is nog maar 57, maar heeft de uitstraling van een oude man: gebogen, tandeloos, dun haar, mager, onverzorgd, holle ogen, ingevallen wangen. Ongeloof, afkeuring, ontzetting streden om voorrang in de reacties op het artikel, maar ook: ‘In zijn onttakelde staat is hij kwetsbaar als nooit te voren.’ Ik wist ook niet wat ik daarmee moest, maar dacht wel: wat voor normen leggen we aan, als het gaat om een ‘goed leven’?

Is er ook plaats voor het verval en voor de schoonheid daarvan? Op vakanties in het buitenland struinen we overwoekerde kerkjes en kasteelruïnes af omdat ze zo mooi zijn, en de herfst wordt geroemd om zijn prachtige kleuren, maar bij mensen blijven we maar bezig om het verval te voorkomen, te bestrijden of te camoufleren. Maakbaarheid is de mantra van deze tijd. Ik vermoed wat er achter ligt: angst, angst voor verlies, uiteindelijk angst voor de dood, het onuitgesproken verlangen naar het eeuwige leven, terwijl de eindigheid juist de kern is van ons bestaan. Tragiek hoort bij het leven. Filosoof Harry Kunneman zei het onlangs mooi: ‘Het gaat niet om een gezond leven, niet om een gelukkig leven, maar om een vervuld leven.’

Fragment uit een gesproken column op de diplomering van studenten Sportgezondheid (2014).

Handelsbekwame mensen met zelfkennis en een fundament van persoonlijke waarden: daar gaat het om, ook in de wereld van sport en bewegen. Je kunt ook zeggen dat het gaat om mensen die trouw zijn aan zichzelf. Joep Dohmen (2007) geeft op dit punt wel een waarschuwing. ‘Het romantische verlangen om trouw te zijn aan zichzelf is in de laatmoderne samenleving een funeste alliantie aangegaan met het liberale principe van de vrije zelfbeschikking.’ Zo van: ‘Ik maak zelf wel uit wie ik ben en hoe ik leef – ik ben de maat van alle dingen.’ Hij spreekt over het begrip negatieve vrijheid, wat neerkomt op doen waar je zin in hebt, zonder je te bekommeren om je omgeving. Daar kiest Dohmen duidelijk níet voor: identiteitsontwikkeling vindt plaats tegen de achtergrond van dingen die ertoe doen, zoals geschiedenis, natuur, samenleving en de eisen van solidariteit. Dohmen citeert Taylor als hij zegt: ‘Daarom kan en mag de authentieke mens zich (…) niet onttrekken aan de dialoog en dient hij zich uitdrukkelijk te verhouden tot heersende betekenishorizons en morele kaders.’


Authenticiteit is de invulling van positieve vrijheid: jezelf zijn impliceert de opdracht en queeste om jezelf te worden. Een leerproces dat enerzijds bestaat aan zelfonderzoek en anderzijds berust op een dialoog met de buitenwereld. ‘Authenticiteit is de competentie om telkens opnieuw op een waarachtige manier ‘binnen’ en ‘buiten’ op elkaar af te stemmen.’ Dat gaat niet vanzelf en houdt nooit op. Mijn vader is negentig geworden en door zijn zwakker wordende gezondheid was hij genoodzaakt om zijn relatie met de bewegingscultuur (hij hield van wandelen, fietsen en varen) anders te definiëren. Daarbij liep hij aan tegen allerlei interne belemmeringen (gedragspatronen en overtuigingen). Het lopen met een stok en later achter een rollator ging niet vanzelf. En dan had hij ook nog te dealen met mijn even oude moeder, die fysiek nog ontzettend fit was. Kortom, een levenslang leerproces.


Fragment uit: Faber, Kees (2017). Levenskunst en sport. In: Sta stil en kijk. Groningen.
Dohmen, J. (2007). Tegen de onverschilligheid. Pleidooi voor een moderne levenskunst. Amsterdam: AMBO.

Bladerend door het boek Failure, dat gaat over moderne kunst en mislukken, stuit ik op een bijdrage van Joel Fischer die de rijkdom van de relatie tussen kunst en mislukken onderzoekt. Hij constateert dat mislukken vaak meer in beeld komt dan succes (‘There are many ways to fail, it seems, but succes is singular’), maar dat de filosofie het concept ‘mislukken’ links heeft laten liggen. Hij pakt zelf de relatie van mislukken met intenties op; een echte mislukking kan niet intentioneel zijn. ‘An intentional failure is no thing, but a unwholesome, nihilistic form of succes.’

Tegelijkertijd schrijft hij dat het maken van kunst in de twintigste eeuw een intentionele bezigheid is, waarmee het ontstaan van mislukkingen verzekerd is. Immers, als de intenties niet worden bereikt, is het mislukt. Interessante gedachte. Ook constateert hij dat de opvattingen over mislukt zijn aan verandering onderhevig zijn. Er was een tijd dat de onvoltooide beelden van Michelangelo als mislukt werden beschouwd, terwijl ze tegenwoordig als meesterwerken te boek staan. We zijn anders gaan kijken en oordelen.

Mooi is ook het verhaal dat de auteur enkele jaren geleden hoorde over een rijke kunstverzamelaar die besloot om een schilderij van Picasso te laten veilen. Hij bracht het schilderij naar een veilinghuis en de experts aldaar vertelden hem dat ze het niet wilden hebben, omdat het om een vervalsing zou gaan. De man werd woedend en na het veilinghuis voor van alles en nog wat uitgemaakt te hebben, ging hij met het schilderij naar Picasso zelf.

Hij legde het probleem aan de schilder voor en vroeg hem de echtheid te verifiëren. Picasso keek zorgvuldig naar het schilderij en zei: ‘Het spijt me, maar ze hebben gelijk. Het is niet echt.’ ‘Maar dat kan niet!’, brieste de man. ‘Ik heb het vijftien jaar geleden direct van je gekocht!’ ‘Welnu,’ zei Picasso, ‘ik kan dus net zo goed als een ander een Picasso-vervalsing maken.’

Fragment uit ‘Failure’: Faber, Kees (2017). Sta stil en kijk. Groningen.
“Begeleiders hebben tot taak om processen te faciliteren om tot verbinden of herverbinding te komen en daar hoort bij  – en dat lijkt een grote sprong – het comfortabel worden met het conflict” zegt Jitske. “Als mensen weten waar ze zijn, dan weten ze waar ze heen willen. Kijk, vraag, luister naar wat er is en ga naar de pijn toe. Er is gedoe, we willen van het gedoe af en daar willen we een plan voor maken;  prima, maar zullen we eerst naar het gedoe kijken en daarbij stilstaan? Stilstaan is geen stilstand. Mensen zeggen vaak ‘dat kost zoveel tijd’, maar weet je wat veel tijd kost zeg ik dan? Niet doen en dooremmeren. Dus het lef hebben om met elkaar – als er hitte is – de hitte in te gaan en dat te begeleiden, daar gaat het om. We moeten leren comfortabel te zijn met chaos en conflict, in plaats van de tijd volpraten met nog een theorie of een model. Gewoon zeggen: ‘OK er is nu chaos, geen idee waar we heen moeten’. En dan maar eens een stilte laten vallen, van een minuut, een paar uur, een dag…. We spreken als antropologen over de liminale fase, als de fase waarin een transformatie plaatsvindt van A (de oude situatie), naar B (de nieuwe situatie). The space between no longer and not yet. Die liminale fase heeft een ongekende kracht. Het is in deze fase dat mensen verward zijn door het ontbreken van culturele kaders en onzekerheid over hun sociale positie. Het is juist dan dat dialoog en verandering een optimale bedding hebben. Mensen moeten zelf door die fase heen, zoals mensen in andere culturen een overgangsritueel doormaken, maar de rol van de begeleider is cruciaal, vooral door er te zijn.”

Fragment uit een interview met Jitske Kramer en Danielle Braun. In: Faber, K. (2016). Een begeleider die blijft hangen in beschaving is niet effectief. Tijdschrift voor Begeleidingskunde, 5 (3), 54-58.

STUUR EEN BERICHT

Als schrijver hoop ik dat mijn teksten je helpen om even stil te staan en te kijken. Altijd fijn om iets terug te horen. 

  • Peizerweg 15, 9726 JA Groningen

Je kunt na het versturen van je bericht boven het contactformulier controleren of de verzending is gelukt. Er staat in dat geval een bevestiging.